Mijn Historisch Amstelveen
De trein naar Australië
Rubrieken: Mijn Historisch Amstelveen, Nieuws
Gepubliceerd:
Laatste update:
Bron: Erik Slingerland/M
Veertig jaar geleden, op 30 mei 1986, reed de laatste trein over de Haarlemmermeerspoorlijnen. Het schamele dieseltje tufte van Uithoorn naar Nieuwersluis. De rit was het roemloze einde van een zeer kortstondig netwerk van lokaalspoorwegen waar Amstelveen deel van uitmaakte. De meeste rails waren al opgebroken. Alleen de spoorlijn naar Amsterdam was nog over. Wonder boven wonder ligt een groot deel van die spoorlijn er nog steeds, met dank aan de Museumtram en de Amsteltram. Menige Amstelvener kan zich herinneren hoe daar dagelijks een trein reed.
Aan het eind van de Emmakade, waar tegenwoordig een fietspad langs het spoor naar het Amsterdamse Bos loopt, bevond zich eind jaren zestig een volkstuintje. Het werd beheerd door een man die er altijd aan het werk was. Mijn vriendjes en ik noemden hem Pinopet. In zijn tuintje teelde hij tomaten, kool, sla - oninteressante zaken voor ons,
jongens van de wereld. Hinkstappend over de bielzen naar het spoorbruggetje over de Hoornsloot zagen wij elkaar, wij boven, hij beneden. Vaak groette hij ons dan, hand tegen de pet alsof hij voor ons salueerde. Zelfs in de winter was hij aanwezig. Dan veegde hij het ijs op de Hoornsloot voor de schaatsers sneeuwvrij met zijn geïmproviseerde sneeuwschuiver, een op een lat getimmerde houten plaat. Winters in die tijd waren altijd streng, met sneeuw en ijskwakkelwinters onthoud je niet. We spraken elkaar nooit, tot die ene keer.
In het voormalige station aldaar aan de Amsterdamseweg (tot 1950 ‘stopplaats 34’ ten tijde van de passagierstreinen) woonde Frans, mijn klasgenootje van de St. Antoniusschool. Zijn spoorhuis vond ik het mooiste ter wereld. Wie zoals ik opgroeide in een groot gezin en een kleine duplex bovenwoning op de Emmakade, ook al bood dat een prachtig uitzicht over het Amsterdamse Bos, was veroordeeld tot spelen op straat.
Frans zagen we nooit spelen op straat. En waarom zou hij ook. Hij woonde in een ruim, vrijstaand huis, met een grote zolder en een tuin met schommel die reikte tot aan park De Braak, en dan ook nog eens aan een spoorlijn waarop dagelijks een trein voorbijreed. Hoe mooi kon je het hebben.
Met de DOKA-trein naar Blijdorp in Rotterdam
Op 2 mei 1967 mocht ik vanaf dit ‘station’ Amsterdamseweg mee met een speciale trein naar Diergaarde Blijdorp in Rotterdam, een feest om nooit meer te vergeten. Die trein was de DOKA-trein, georganiseerd door de gezamenlijke winkeliers van het Dorp en de Karselaan. Mijn moeder had er drie volle spaarkaarten met zegels voor moeten betalen: één voor mijn broer Marco, die al in de zesde klas zat; één voor mij, en één voor onze zus Sylvia, al lang op de middelba-
re school, die ons begeleidde. Er hingen ballonnen uit de ramen en er was muziek op de Amsterdamseweg, die vol stond met vaders en moeders om ons uit te zwaaien. Politie regelde het verkeer.
In de trein bevond zich de Amstelveense goochelaar Jan Wilhelmis, die tot taak had de honderden meereizende kinderen en ruim honderdvijftig begeleiders onderweg te amuseren met zijn kunsten. Hij had daartoe maar een clownspak aangetrokken, wat een gouden greep bleek. Zijn optreden, inclusief flapschoenen en een bloem op zijn revers die water spoot, was zo’n grootsucces dat hij nadien door het le ven ging als clown Hoky Poky en een vast gezicht werd bij Sinterklaasintochten in Amstelveen. De feesttrein bestond uit veertien lange, donkerblauwe ‘plan D’ rijtuigen, voortgetrokken door een zware diesellocomotief van de serie 2252 van de NS, een unicum voor Amstelveen, al was het maar door zijn lengte van bijna tweehonderd meter. Maar voor mij was dat allemaal niet van belang. Voor het eerst zag ik mijn straat en buurt vanuit een trein. Mijn liefde voor de spoorlijn was geboren. De locomotief toeterde, en nogmaals, de wagons schokten, daar gingen we!

DOKA trein bij het station in Bovenkerk aan de Noorddammerlaan nr. 36 in 1967 onderweg naar diergaarde Blijdorp. De clown voor kindervermaak is dhr. Jan Wilhelmis beter bekend als “Hoky Poky”.
Treinstuivers
Door de DOKA-trein verplaatste ons speelterrein op straat van het begin naar het eind van de Emmakade. Daar was het veel spannender. Elke woensdag bleek er een kolentrein voorbij te komen. Wie een cent had legde die alvast op de rails. Dan had je straks een stuiver, hielden we onszelf voor. Op de hoek van de Nieuwe Karselaan kon je bij Jamin voor vijf cent ijslollies kopen, althans, voor tien cent verkochten ze waterijsjes met twee stokjes die je doormidden kon breken.
Geen winkelier natuurlijk die onze treinstuivers accepteerde, want die waren onherkenbaar platgereden, verbogen en ovaal van vorm, maar dat mocht de pret niet drukken.
Ook keitjes van de spoorlijn legden we alvast op de rails, al leerden we snel dat je uit de buurt moest blijven wanneer de trein ze versplinterde. Het steenslag kon je raken als granaatscherven. Hoeveel wagons zouden er dit keer zijn? De meeste die ik ooit had geteld waren zeventien, een aantal dat met det ijd steeds minder werd. De kolenmijnen in Limburg gingen sluiten, Slochteren nam de energievoorziening over. Het lot van de kolentrein was bezegeld.
Daar kwam de trein!! Drie felwitte ogen verschenen ter hoogte van de Kalfjeslaan, een zwarte rookpluim erboven; het donkerbruine monster was weer in aantocht. In het begin telden we alleen maar het aantal wagons, maar gaandeweg veranderde ons spel. Nu móesten we weten hoe lang de trein was.
Zijn lengte bepaalde waar we ons moesten verstoppen. Bleek de trein, eenmaal stilstaand voor de overgang bij de Amsterdamseweg, langer dan de moestuin van Pinopet (wat meestal het geval was), dan bezetten de achterste wagons het spoorbruggetje over de Hoornsloot en konden we daar niet meer overheen. Waren we op tijd over de brug het bos ingegaan, dan hadden we dubbel kans: zowel een lange als korte trein konden we dan ‘hebben’. Dat betekende: eraan hangen.
Hangen aan de trein
Klasgenootje Frans deed hier al helemaal niet aan mee; je kon maar beter niet aan een trein hangen die langs het keukenraam van je moeder reed. We hadden geluk: de achterste wagon stopte vrijwel voor onze verstopplek in het bos.
Nu kwam het erop aan. Tussen stilstand en vertrek was maar een paar seconden. Die tijd was nodig om tevoorschijn te komen, het talud op te klimmen, naar de achterkant te hollen en houvast te vinden aan de roestige stootbuffers voordat hij zich weer in beweging zette. De twee buffers waren op schouderhoogte en, belangrijker, buiten het zicht van de machinist en de man met de rode vlag. Omdat we met z’n drieën waren, gold ‘wie het eerst komt het eerst maalt’: de laat-
ste die de achterkant van de trein bereikte moest iets anders dan een stootbuffer zien te grijpen, wat altijd op niets uitliep. Meestal was dat Wim. Wim was niet zo snel. In de winter, wanneer de Emmakade besneeuwd was en wij probeerden achter auto’s te gaan hangen die door de gladheid de bocht bij het Leger des Heils langzaam moesten nemen, onze wanten vastgeklemd om de bumper en voortglijdend op onze laarzen, greep Wim ook altijd mis. Of hij viel plotseling, omdat op zijn plek opeens een onbesneeuwde putdeksel tevoorschijn kwam die hem bij de enkels greep en naar de grond trok. In het beste geval hield Wim wel vol, maar hing dan precies achter de blauwwalmende uitlaat. Door de trein hadden we geen sneeuw op de Emmakade meer nodig. Die reed elke dag.
Tonny hing, ik hing, we reden! De bielzen onder ons kwamen steeds sneller voorbij. Het was zaak zo lang mogelijk vast te houden. Niet té lang, want dan val je, met je knieën op de puntige keien, je hoofd tegen de paal met het andreaskruis, of tegen het witte bord met de zwarte S en de mysterieuze tekst ‘BEWAAK OVERWEG’, zo niet een wachtende auto of fietser. Dat moment, dat wachten tot het allerlaatste voordat je loslaat, een beslissing in een fractie van een seconde, was de spanning, het avontuur. Ik liet los, Tonny liet los. We struikelden over de bielzen, maar vielen niet. Daar ging de trein. Waar was Wim?
Wim, weer misgegrepen, liep te zoeken naar zijn cent. De trein verdween richting de Karselaan, een zwarte rookpluim erboven als een boom in de lucht.
De trein naar Australië
In het volkstuintje leunde Pinopet op zijn schoffel. Hij had onze capriolen weer gezien. Voor het eerst sprak hij ons aan. ‘Kom ‘ns jongens’, zei hij, alsof hij ons iets wilde toevertrouwen, een geheim alleen voor ons vrienden onder elkaar. Voor het eerst daalden we het smalle trappetje naar zijn groentetuin af. ‘Mannen,’ zei hij, ‘dat hangen achter de trein, dat moet je niet doen. Weet je waarom niet?’ Geen idee. Hij reed toch niet opeens achteruit? Als je maar op tijd loslaat.
‘Omdat je op tijd moet loslaten,’ zei Pinopet. Dat begrepen we ook wel. Had hij ons daarvoor geroepen? ‘...anders val je op je smoel,’ zei Tonny, altijd in voor een grap, terwijl hij zijn bruine handen van de roest afveegde aan zijn broek. Pinopet moest lachen. ‘Nee’, zei Pinopet, ‘niet omdat je kan vallen, maar omdat je moet vasthouden als ie te snel gaat, snap je? Als de trein te snel gaat, moet je blijven vasthouden. Dan is het te laat om los te laten. Snap je?’
Vasthouden omdat de trein te snel gaat. Zo hadden we het nog niet bekeken. Je zou hetmeemaken! Waar gaat ie dan heen? ‘En waar gaat die trein naartoe?’ ging Pinopet verder alsof hij onze gedachten kon lezen. Ik had geen flauw idee. ‘Rotterdam?’ probeerde ik. Van hier af was ik immers met de trein naar Rotterdam geweest. ‘Was dat maar waar!’ zei Pinopet. ‘Nee joh! Die trein gaat helemaal naar Australië, wetenjullie dat niet?’
In ongeloof keken we elkaar aan. Australië? Dat is wel heel ver weg. Hemeltje lief! Dan kwam je vast te laat thuis. En dan zwaaide er wat.
In de zomer van 1971 verruilde ik de Antoniusschool voor het Keizer Karel College, waar het geluk mij trof: vanachter de grote ramen van het schoolgebouw zag ik uit over het oude station Amstelveen met z’n kleine rangeerterreintje, tegenwoordig een parkeerterrein dat het Oude Dorp ontsiert. Veel activiteit viel er niet te bespeuren. Op de woensdagen kwam mijn kolentrein voorbij, korter dan ooit tevoren. Toen het tot mij doordrong dat die natuurlijk nooit naar Australië reed, verscheen hij helemaal niet meer. Op 7 mei 1972 reed de laatste kolentrein door Amstelveen. Geen idee waarheen hij ging, maar het voelde verder weg dan ooit.
De geschiedenis van de trein door Amstelveen kan tegenwoordig als tijdslijn van energietransities worden gelezen: van kolen (1915) naar diesel (1954) naar elektriciteit (1980) naar groene stroom (2015), een van de belangrijke educatieve waarden van de Museumtramlijn.
Foto's: Beeldbank Amstelveen
